WE SPELEN VOORSTELLINGEN van: NOVECENTO (naar Alessandro Baricco). NOVEMBER 2022 & maart 2023.

NOVECENTO

EEN MEESLEPENDE EN VERRASSENDE VOORSTELLING MET MEESTER-VERTELLER MASSIMO ZAMBONI

De jongen Novecento is als zuigeling op een oceaanstomer te vondeling gelegd.

Hij ontwikkelt zich tot een fabelachtig, door iedereen bewonderd pianist, die het schip nooit meer zal verlaten.

Zelfs al wordt het schip vol dynamiet gestouwd om het te vernietigen, blijft Novecento aan boord.

Alessandro Baricco schreef Novecento als een monoloog voor trompettist Tim Tooney.

Hij beschrijft zijn verblijf op het schip met dit muzikale wonder.

Het is een relaas vol grappen, filosofische overwegingen en boeiende personages geworden.

De monoloog wordt gespeeld in het Italiaans.

Spel:                Massimo Zamboni

Regie:             Herman Boets.

Muziek:          Luk Caeyers

Lichtontwerp: Dirk Ceulemans

Vormgeving:  Dirk Schoofs

Productie:       De Seine

We plannen voorstellingen in november 2022 en maart 2023.

In Zaal ‘De Spaanse Poort van OC Den Bril, Bril 6 in Lier.

NOVEMBER:

MA 14, WO 16, DO 17, MA 21, WO 23, DO 24, MA 28, DI 29, WO 30

MAART:

MA 13, WO 15, DO 16, MA 20, DI 21, DO 23, MA 27, DI 28, DO 30

De voorstelling begint om 20u.

Tickets: € 14; € 12 voor studenten.

UITPas

Reserveren kan via: deseine@skynet.be              0473 57 96 96

Il Virginian era un piroscafo. Negli anni tra le due guerre faceva la spola tra Europa e America, con il suo carico di miliardari, di emigranti e di gente qualsiasi. Dicono che sul Virginian si esibisse ogni sera un pianista straordinario, dalla tecnica strabiliante, capace di suonare una musica mai sentita prima, meravigliosa. Dicono che la sua storia, raccontata dal trombettista e suo compagno di band Tim Tooney, fosse pazzesca, che fosse nato su quella nave e che da li’ non fosse mai sceso…

Il monologo viene recitato in Italiano.

De Nederlandse tekst waarvan we vertrokken zijn:

Amerika! Amerika!

Er was er altijd wel eentje die haar voor het eerst zag en we waren met meer dan duizend op dat schip.

En dat gebeurde niet toevallig. Neen! Het was gewoon die mensen hun lot.

Dat moment stond al altijd in hun leven gedrukt. Het zat al in hun ogen van toen ze klein waren, klaar om via zenuwen, bloed, hersenen, tong, weet ik veel naar buiten te komen: AMERIKA! Het zat gewoon te wachten.

Dat heb ik geleerd van Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento, de grootste pianist die ooit op de oceaan gespeeld heeft: ‘In de ogen van de mensen kunt ge zien wat ze nog zullen zien, niet wat ze al gezien hebben.’

Hij kon zeggen wie het eerst Amerika zou zien.

Zes jaar heb ik op dat schip, de Virginian gezeten. Zes reizen per jaar, van Europa naar Amerika, heen en weer. Als ik aan de wal stapte, kon ik niet eens meer recht in de WC pissen.

Het is niet omdat ge van een schip zijt, dat ge van de oceaan zijt.

Toen ik erop kwam in 1927 was ik zeventien. En ik gaf maar om één ding in het leven: trompet spelen: jazz.

‘Ladies and gentlemen, especially for you, the one and only Atlantic Jazz Band.

Op de klarinet: Sam ‘Sleepy’ Washington.

Op de banjo: Oscar Delaguerra!

Op de trompet: Tim Tooney

Trombone: Jim ‘Breath’ Gallup!

Op gitaar: Samuel Hockins!

En ten slotte, op de piano: Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento!

De beste pianist die ooit op de oceaan heeft gespeeld!

Drie, vier keer per avond spelen. Eerst voor de rijke luizen van de luxe klasse in ons kostuum, en dan beneden in het ruim voor de arme sloebers, voor de emigranten, in ons gewone kleren.

En zij speelden samen met ons. Omdat de oceaan groot is. We speelden omdat de oceaan angst inboezemt. We speelden tot ze niet meer voelden dat ze weken aan een stuk in het stinkend ruim van dat schip zaten. We speelden tot ze vergaten waar ze waren. Tot ze vergaten wie ze waren. We speelden om ze te laten dansen, want als ge danst, gaat ge niet dood. Dan voelt ge u God.

En we speelden ragtime want dat is de muziek waar God op danst, als hij kon en als hij een zwarte was.

Hij was ongelooflijk. Wij speelden muziek, maar hij was anders. Hij speelde … ik weet het niet. “Als ge niet weet wat het is, dan is het jazz”. Als hij niet speelde, dan bestond het niet en als hij stopte met spelen en wegging van de piano, dan was het er niet meer. En het zou er ook nooit meer zijn.

Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento.

De laatste keer dat ik hem zag, zat hij op een bom. Een lading dynamiet.

En hij zat er vanboven op. Op die bom. En terwijl hij op die bom zat, gaf hij mij een cadeau.

Zijn verhaal. Omdat ik zijn beste vriend was. “Ge zijt nooit verloren, zolang ge maar een goed verhaal hebt en iemand om het aan te vertellen”, zei hij.

Ik ben bijna alles kwijtgeraakt, maar zijn verhaal heb ik nog.

Hij lag in een kartonnen doos.

Een oude, zwarte matroos vond hem. In een kartonnen doos. Op de piano.

In de danszaal van de luxeklasse. Net toen ze aangelegd hadden in Boston.

Die matroos heette Danny Boodmann.

“Die godverdomde emigranten”, bromde hij. “Ze vergeten anders nooit iets, geen sigaret, geen zakdoek, geen rotte cent. Ze pikken mee wat ze maar kunnen. Waarom doen ze dat nu? Ne kleine kopen aan boord. En hem dan achterlaten in een kartonnen doos. En dan denken ze dat een chique madam hem vindt, compassie met hem krijgt en hem dan meepakt. Dan krijgt hij een rijk en gelukkig leven. En zij hebben een mondje minder om eten te geven.

Die migranten kunnen de pot op!”

De oude Boodman zocht naar een briefje of iets anders waarop stond hoe het kind heette, maar hij vond alleen maar een opschrift op de doos in blauwe inkt: T.D. Lemon. Er stond ook nog een tekening bij van een citroen. Ook blauw.

Hij pakte het kind in zijn armen en zei: “Hello Lemon!” Hij had het gevoel of hij net papa was geworden.

Voor de rest van zijn leven zou hij blijven volhouden dat die T.D. stond voor ‘Thanks Danny’ Hij dacht echt dat die mensen wisten dat hij hem zou vinden en ervoor zou zorgen. En daarom hadden ze hem speciaal in een doos gelegd met T.D. erop. Thanks Danny.

En dat staat chique, zo wat losse letters in een voornaam, dacht hij. Net een advocaat.

T.D. Lemon. Naar de doos waarin hij gevonden werd. En Danny Boodmann, naar de man die hem gevonden had: Danny Boodmann T.D. Lemon , Danny Boodmann T.D. Lemon, Danny Boodmann T.D. Lemon….

Er ontbreekt nog iets aan: een grote finale… Dinsdag? Hij had hem op een dinsdag gevonden… nee… Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento, naar het jaar waarin hij gevonden werd.

Hij proefde de naam nog een aantal keren en zei: “Zo zal hij heten: Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento. Dat is een geweldige naam. Gelijk van de paarden in de paardenkoers.” Daar was hij ook zot van. Niet van de koers maar van de namen. Silver Kentucky Oak Woods, Red Hot Mama, Sassy Lassy Nightmare… Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento!

“Hij zal het nog ver schoppen met zo’n naam.” Hij boog zich over de doos. Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento keek hem aan en glimlachte.

“Shit,” zei Danny Boodmann, “ik wist niet dat er zoveel stront uit zo’n kleine kon komen.”

Danny Boodmann werkte nog acht jaar, twee maanden en elf dagen als matroos op de Virginian.

Toen, tijdens een storm, op volle oceaan, kreeg hij een dolgedraaide katrol tegen zijn rug. Hij deed er drie dagen over om dood te gaan. Hij was helemaal kapot van binnen. Novecento was nog een kind. Hij ging naast het bed van Danny zitten. Hij las de uitslagen van de paardenrennen voor: eerste race: eerste: Playfulmoon, tweede: Ozone, derde Super Sweet…

Danny stierf tijdens de zesde koers van Chicago, gewonnen door Sunset Boulevard met twee lengtes voorsprong op Stars and Stripes en vijf op Final Countdown.

Ze draaiden hem in een zeil en voor ze hem aan de oceaan teruggaven, schreef de kapitein erop met rode lak: ‘Thanks Danny’.

Zo werd Novecento ineens voor de tweede keer wees. Hij was acht jaar en hij was al een keer of vijftig heen en weer gereisd tussen Europa en Amerika.

De oceaan was zijn thuis. Hij was nog nooit van boord geweest.

Danny was bang dat ze hem zouden meenemen met een of ander verhaal over papieren, visa enzo. Hij bleef altijd aan boord en dan vertrokken ze weer.

Hij stond nergens geregistreerd, hij had geen vaderland, geen geboortedatum, geen familie. Hij was acht jaar maar officieel was hij nooit geboren. Zo’n kind aan boord was tegen de wet. “De wet kan de pot op”, zei Danny dan altijd.

Op een dag zei de kapitein: “Zo’n schip, dat is niets voor dat kind. Hij moet naar school gaan, zoals alle andere kinderen. Ga hem halen!”

Na twee dagen kwam een matroos terug bij de kapitein en zei: “ Hij is weg”.

“Hoe, hij is weg? Hij kan toch zomaar niet verdwenen zijn! We zitten op het midden van de oceaan!”

“We hebben het schip twee dagen onderzocht van boven naar onder, van achter naar voor, maar hij is weg!”

“ Alsof hij het gevoeld heeft. Alsof hij het geroken heeft. Alsof hij wist dat hij de Virginian zou moeten verlaten! Ik moet er niet aan denken, zo’n kleine die in ’t water….”

Na tweeëntwintig dagen vertrokken ze opnieuw, vanuit Southampton met een bedrukt gevoel.

Twee dagen later werd er midden in de nacht op de deur van de kapitein gebonkt. “Kapitein, kapitein, kom kijken, kom kijken!”

De kapitein kwam grommend en vloekend uit zijn bed en ging mee naar de danszaal van de luxe klasse. Weinig licht, allemaal mensen stonden daar in kamerjas, in pyjama, in onderbroek… Niemand zei een woord. Ze stonden allemaal zwijgend te kijken.

Daar zat hij. Novecento.

Hij zat op het krukje aan de piano. Zijn benen bungelden omlaag. Ze raakten de grond niet eens. En hij zat zowaar te spelen! Novecento! Acht jaar en hij speelde prachtige muziek. En het was geen truc! Het waren zijn handen op die toetsen.

Een rijke Amerikaanse madam in een roze peignoir, op pantoffels met pompons, weende diepe sporen in haar dikke nachtcrème. Ze vroeg aan de kapitein: “ Hoe heet die jongen aan de piano?”

“Novecento.”

“Niet het liedje, zijn naam.”

“Novecento.”

“Maar dat is toch een liedje?”

De kapitein was razend. Hij liet de rijke madam staan waar ze stond en liep op Novecento toe:

“Novecento, waar komt gij godverdomme uitgekropen en wie heeft er u godverdomme leren piano spelen? In de eerstvolgende haven vliegt gij van boord! Verstaan?”

Zoiets zegt ge nu toch niet tegen een klein kind!

“Novecento, dit is volkomen in strijd met het reglement!”

Novecento keek op en zei: “Het reglement kan de pot op.”

En Novecento bleef.

Mijn eerste overtocht. En na vier dagen mijn eerste storm. Een van de vreselijkste stormen uit de geschiedenis van de Virginian. Het beste wat ge kunt doen is vooral geen trompet spelen en in uw couchette blijven liggen.

Geen trompet spelen, geen probleem, maar in die couchette blijven liggen…

Ge houdt dat niet uit, ge denkt dat ge gaat eindigen als een rat en ge staat op en tegen beter weten in zwalpt ge door de gangen van dat schip. BANG tegen een deur, DENG tegen een ijzeren trapleuning, DONG tegen een kast met reddingsboeien.

En terwijl ge verloren loopt en denkt dat ge gaat verzuipen, komt er iemand aangewandeld. Op zijn dooie gemak, als een chique meneer op de boulevard van Nice. Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento.

“Kom mee;”

Hij was toen 27. Ik kende hem nauwelijks. We hadden een paar keer samengespeeld. Dat was al.

“Kom mee.”

En ge moet weten dat een trompettist die zijn eerste storm meemaakt en dan in de gang iemand tegenkomt die zegt: Kom mee, niets anders kan dan meekomen.

“Kom mee.”

Zeker als hij piano speelt in hetzelfde orkest en dan nog op een heel vreemde manier.

“Kom mee.”

Zonder naar zijn handen te kijken. Alsof hij ergens anders is terwijl hij speelt.

“Kom mee.”

Zodat de orkestleider, die geen bal van muziek af weet, maar de schoonste kop heeft en daarom orkestleider is, hem iedere keer vraagt: Novecento, vandaag alleen de gewone noten, ok?”

In zo een geval kan een trompettist als ik niets anders dan meekomen naar de danszaal.

“Haal de rem van de piano”

“Waarom?”

“Vertrouwt ge me niet?”

“Jawel.”

“Wel, als ge me vertrouwt, haal dan de rem van de piano.”

Ik haal de rem van de piano.

“Gij zijt zot.”

“En nu komt ge hier. Zitten. Hier. Naast mij. Op de pianokruk.”

“Gij zijt zot. Als ik die piano loslaat is ze weg!”

“Als ge nu niet hier komt zitten, naast mij, op de pianokruk, dan ben ik weg.”

“Ik zit hier al, naast u, op die stomme pianokruk en al de rest kan mij gestolen worden. Ik zit. Ik zit. Zit ik of niet? Ik zit. Zit ik? Ik zit. En nu?”

“Nu?”

“Nu.”

“Nu niet bang zijn?”

En geloof het of niet, maar hij begint te spelen op de piano en de piano begint te glijden, over de dansvloer, over de houten planché en wij erachteraan, op de pianokruk, terwijl hij speelt. Zijn ogen laten de toetsen geen moment los en de piano glijdt op de golven, heen en weer, in het rond en terug en recht naar het raam in crescendo. En dan juist voor het raam stoppen, op het nippertje, en terug achteruit, en dan een klein diminuendo en naar links en terug en hij maar spelen, zonder ophouden. Maar het is meer dan spelen. Hij bestuurt die piano, met de tonen, waarheen hij wil. En terwijl wij zo langs zetels en tafels en staande lampen glijden, in een paar staccato’s, weet ik het plots: wij, wij, wij zijn aan het dansen, wij en de oceaan, de oceaan en wij, één waanzinnige, knettergekke, zotdraaiende wals.

En één twee drie, één twee drie, één twee drie…

“Shiiiiiiiiiiit! Shiiiiiit! Iiiiiiiiiiiiiiii!”

“Oeps, ik denk dat ik de remmen nog wat moet bijstellen.”

“IMBECIELE KIEKENS!”

De kapitein…..

“IMBECIELE KIEKENS! NAAR DE MACHINEKAMER, EN DAT IK JULLIE NIET MEER ZIE, ANDERS VERMOORD IK JULLIE MET MIJN BLOTE HANDEN! EN JULLIE BETALEN ALLES TERUG TOT DE LAATSTE CENT!”

“ Shit, shit, shit: die dubbele glazen deur, die glazen tafel, die vitrinekast met zijn foto’s, zijn postuurkes, zijn vlaggetjes en bekers. Het gat in de muur… En nog wat onvoorziene kosten en werkuren…”

“Zeg Novecento, is dat waar dat gij nog nooit van boord geweest zijt?”

“Ja, dat is zo.”

Hij keek in mijn ogen en zei: ”En gij komt uit New Orleans?”

“Hoe weet gij dat?”

“Ik ben zot van die stad.”

“Ik ben er al lang niet meer geweest.”

“In de lente is er altijd wel een morgen dat ineens, vanuit het niets de mist komt opzetten. Een witte wolk die in de lucht hangt, juist onder de straatlichten. Die alles doorsnijdt als een wit mes. Het is betoverend. Huizen verliezen hun daken, bomen verliezen hun takken en de mensen in de straat hun hoofd. Alles verdwijnt in een witte wolk. Ge ziet alleen nog een halve straat vol onthoofde mensen die elkaar goeie dag zeggen. Hallo, hoi, hoi?”

“Wanneer zijt gij daar geweest?”

“Nooit. Echt waar.”

“Gij zijt nooit in New Orleans geweest?”

“Hoe kan dat dan? Ge zijt nooit van boord geweest.”

“Het komt gewoon allemaal naar mij toe. Op dit schip. De mensen, de kleuren, de geuren, de geluiden van hun land, hun geschiedenis. Het staat allemaal op hen geschreven. En als ge goed in hun ogen kijkt, kunt ge ze lezen, de mensen. Het is als een puzzel, vele kleine stukjes. En iedere dag wordt die puzzel beetje bij beetje groter, in mijn hoofd. Een grote landkaart vol steden en hoekjes in kroegen, lange rivieren, modderpoelen, vliegtuigen, leeuwen. En zo reis ik overal naartoe. En die puzzel speel ik op de toetsen van mijn piano.”

Waarom gaat gij nooit van boord?”

“Ik weet het niet.”

“Waarom niet?”

“Nee!”

“Het echte New Orleans.”

“Nee, zeg ik!”

“Waarom blijft ge op deze drijvende gevangenis zitten? Ge zou zelf naar New Orleans kunnen gaan, of naar Parijs. Op de Pont Neuf naar de boten kijken. Ge zoudt kunnen doen wat ge wilt. Ge speelt fantastisch piano, ge zou een hoop geld kunnen verdienen en het mooiste huis kiezen dat er bestaat, desnoods in de vorm van een schip! Ge zou zelf tussen de tijgers kunnen lopen. De wereld ligt aan uw voeten. Daar. Ge moet alleen maar dat trapje afgaan, een paar stomme treetjes. Verdomme, alles ligt daar aan het eind van die treetjes. Alles! Novecento, Novecento?”

Hij had nog nooit één noot gespeeld buiten de Virginian, Novecento, maar toch was hij een beroemde figuur, een kleine legende.

Er deden merkwaardige verhalen de ronde, zoals dat over de Amerikaanse senator Wilson die de hele reis in derde klasse had gemaakt omdat Novecento daar speelde als hij niet de normale noten speelde, maar die van hem, die niet normaal waren. Hij had daar beneden een piano en daar ging hij ’s middags naartoe, of ’s avonds laat.

Eerst luisterde hij. Hij wilde dat de mensen de liedjes voor hem zongen die ze kenden. Af en toe haalde er iemand een gitaar tevoorschijn of een mondharmonica en begon te spelen. Muziek die van god weet waar kwam. Novecento luisterde. Daarna begon hij de toetsen te beroeren, terwijl zij zongen en speelden. Langzaam maar zeker veranderde dat in echt spelen, kwamen er klanken uit de piano – verticaal, zwart – en dat waren klanken van de andere wereld. Er zat alles in: alles tegelijk. Alle muziek van de aarde.

En senator Wilson die zat daar met open mond te luisteren, in dat vuil, in de miserie van derde klasse. Hij wou daar blijven zitten, de rest van de jaren die hij nog te leven had.

Hij vertelde het aan iedereen: “Het lijkt alsof de piano aan één kant van de vloer loskomt, alsof die ene kant omhoog gaat en de andere zijkant naar de vloer toe, tot ze op haar zijkant staat, die piano, verticaal, met enkel nog zwarte noten, van een andere wereld. Soms drie, vier uren aan één stuk en dan: alles weg!”

Ze hebben hem van boord moeten dragen, senator Wilson.

Misschien heeft hij wel verteld aan Jelly Roll Morton dat de geniaalste pianist aller tijden op de Virginian speelde: Danny Boodmann T.D. Lemon Novecento!

In de zomer van 1931 stapte Jelly Roll Morton aan boord van de Virginian. Helemaal gekleed in het wit, zelfs zijn hoed. En een enorme diamant aan zijn vinger.

“Ik ben Jelly Roll Morton. De uitvinder van de jazz. Ik zit altijd een beetje schuin achter de piano. Mijn handen zweven losjes boven de toetsen. Als twee vlinders.

Ik ben begonnen in de bordelen van New Orleans. Als ze boven bezig waren, wilden ze geen ‘klote gebonk daar beneden!’ In het verlengde van de ‘liefde’ boven, zo moest de muziek beneden klinken. Nauwelijks de toetsen beroeren en de tonen zachtjes strelen. Muziek die langs de trappen omhoog zweeft, onder de deur schuift, langs de tapijten en tussen de gordijnen glijdt, onder de bedden, ja zelfs eventjes mee tussen de lakens.

Zo speel ik. Jelly Roll Morton. De uitvinder van de jazz. De beste pianist ter wereld.”

“Euh, Novecento is de beste pianist ter wereld.”

“Waar is hij, uwe beste pianist ter wereld? Hij bestaat niet eens voor de wereld.

Hij heeft de wereld nog nooit gezien! Hij is te stom om van een schip te komen.”

“Als Novecento van dit schip komt, kunt gij weer bij de hoeren gaan spelen!”

Hij speelt nooit in havens. Hij speelt alleen in volle zee.”

“Het is al goed. Ik heb een ticket gekocht voor dit klote schip, heen en terug.

Ik heb nog nooit een voet op een schip gezegd. Ik heb een ticket gekocht, speciaal om hem bezig te horen. Dit is godverdomme de grootste stommiteit die ik in mijn leven begaan heb. Maar ik zal hem horen.

En als hij zo goed is als ze zeggen, dan daag ik hem uit.”

“U daagt hem uit?”

“Ik daag hem uit tot een duel, een muzikaal duel. Morgenavond om 10 uur in de danszaal van de luxe klasse. Be there. I’ll be there.”

“Een duel? Morgenavond om 10 uur? Met Jelly Roll Dandy Morton?

De uitvinder van de jazz? Misschien kan ik nog iets van hem leren?

Jelly Roll Dandy Morton… Dat is een mooie naam…”

Jelly Roll Dandy Morton… Dat is een mooie naam. Juist zijn vader, Danny Boodmann. Hij had geen wedstrijdgevoel. Winnen, verliezen, dat interesseerde hem niet. Al de rest wel.

De tweede dag van de reis, 21.37u, de Virginian vaart met 20 knopen richting Europa, en Jelly Roll Morton verschijnt in de danszaal van de luxe klasse.

Alles valt stil. Jelly Roll Morton,  aan de ene kant van de piano, Novecento aan de andere kant.

“Gij zit degene die de jazz heeft uitgevonden.”

“En gij zijt degene die geen noot speelt zonder een oceaan onder zijn gat.”

Jelly Roll Morton steekt een sigaret op en legt die op de rand van de piano. Hij gaat achter de toetsen zitten. Handen als vlinders. Maar nooit eerder gehoord op die manier.

Doe allemaal uw ogen dicht en luister.

Alle bordelen van Amerika. Hoort ge ze? De betere, waar zelfs de toiletmadam haar nagels lakt. Zijn muziek glijdt als een zacht zijden hemdje van een vrouwenlichaam. Zijn muziek maakt me zot van binnen.

En dan rijgt hij een hele reeks kleine, onzichtbaar hoge nootjes aan elkaar, als een parelsnoer dat op een marmeren vloer uiteen spat.

Zijn sigaret ligt nog steeds op de rand van de piano, half opgebrand, maar de as zit er nog helemaal aan. Hij pakt de sigaret en geeft ze aan Novecento.

“Uw beurt, matroos.”

Novecento, glimlacht, slaat de as van zijn broek en gaat achter de piano zitten.

En wat doet hij? Hij speelt een onnozel kinderliedje dat hij ooit van een of andere migrant heeft geleerd. Hij vind dat onroerend. Onnozel ja, ik had dat zelfs kunnen spelen. Hij speelt het natuurlijk wel heel speciaal, maar het blijft onnozel in vergelijking met Jelly Roll Morton.

Die staat recht, gaat naar de piano en speelt daar een blues waarmee ge de potigste dokwerker kunt doen wenen. Hartverscheurend alsof alle zwarte spoorleggers, katoenplukkers, mijnwerkers hun leed bezingen in één groot blauw koor, in die blues van Jelly Roll Morton.

Alle mensen gaan staan. Ze snotteren. Ze applaudisseren. Novecento ook.

Twee dikke tranen uit zijn ogen en snot uit zijn neus.

En wat doet hij? Hij die zoveel muziek in zijn hoofd en zijn vingers heeft?

Hij speelt die blues van Jelly Roll Morton gewoon na, maar tien keer trager. Akkoord na akkoord maar telkens met een lange pauze ertussen. Saai gewoon!

Als hij stopt, wordt er zelfs gefloten.

Jelly Roll Morton springt kwaad recht en duwt Novecento weg van de piano en hij begint te spelen, als een jongleur, een acrobaat, een stuntman, een koorddanser op een touw van 88 toetsen.

Hij speelt geen noot verkeerd, vertrekt geen spier.

Dit is geen muziek, dit is magie! De mensen gaan uit hun dak. Ze schreeuwen, ze klappen. Zoiets hebben ze nog nooit gezien, zoiets hebben ze nog nooit gehoord!

En Novecento vraagt aan mij: “Geef mij een sigaret.”

Ik ben verbaasd en ik geef hem er een. Ik bedoel: hij rookt niet! Hij heeft nog nooit gerookt. Hij pakt de sigaret, draait zich om en gaat achter de piano zitten. Er wordt gelachen, gefloten, er worden flauwe grappen gemaakt. Mensen kennen geen genade voor verliezers.

En Novecento wacht tot het even stil wordt. Hij kijkt naar Jelly Roll Morton, legt de sigaret op de rand van de piano. Ze is niet aangestoken. En zegt hij zachtjes: “Ge hebt het zelf gewild, klote pianist”.

En hij begint te spelen. Het duurt niet langer dan een halve minuut.

Het lijkt niet vierhandig maar achthandig.

Met aan het einde een dodelijk salvo akkoorden. Iedereen zit daar (met de mond open) Euh…!

In een oorverdovende stilte staat Novecento op, pakt mijn sigaret, buigt een beetje over de piano en houdt de sigaret tegen de snaren. De sigaret brandt! De sigaret brandt! Novecento houdt ze tussen zijn vingers alsof hij een kaarsje vastheeft. Ik bedoel, hij rookt niet. Hij weet niet eens hoe hij ze moet vasthouden.

Hij gaat voor Jelly Roll Morton staan en zegt: “Hier, rookt gij ze maar op. Ik ben daar niet goed in”.

Ineens is er gegil, applaus, rumoer. Zoiets is nog nooit vertoond, zoiets is nog nooit gehoord. Iedereen roept, iedereen wil Novecento aanraken.

En Jelly Roll Morton neemt de sigaret aan. Hij weet niet beter dan ze op te roken. Zijn vlinderachtige had trilt. En ik zie het. En ik zal het nooit meer vergeten. Hij trilt zo dat de as van de sigaret op zijn kleren valt en dan op zijn schoenen.

En Novecento zegt: ”En de jazz kan de pot op”

Jelly Roll Morton sloot zich de rest van de reis op in zijn kajuit. In Southampton aangekomen verliet hij de Virginian. De dag erna vertrok hij weer naar Amerika maar met een ander schip.

Op een dag zegt Novecento ineens: “Als we in New York zijn, ga ik van boord.”

RAM!

Het was als een schilderij dat ineens van de muur valt. RAM! Alsof het gepland is.

Een schilderij hangt al jaren aan een spijker tegen de muur. En dan zegt dat schilderij tegen die spijker: “Zeg we hangen hier nu al zo lang. Als we nu gewoon eens zouden lossen en RAM! Naar beneden donderen?” “Ja, waarom niet,” zegt die spijker, “ ik vind dat ook. En had u een voorkeur voor een bepaald tijdstip?” “Wat had u gedacht van morgenmiddag 3 minuten over 5? Lijkt mij een mooi tijdstip.” “Mij ook, saluutjes.” “Ja saluutjes, tot morgen”.

’s Anderendaags om 3 minuten over 5. RAM!

“Als we in New York zijn, ga ik van boord.”

RAM!

“Waarom?”

“Waarom niet?”

“Als ge 32 jaar op een schip zit en er nooit af gewild hebt, dan gaat ge toch niet ineens van boord alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is!”

“Ik wil daar iets zien.”

“Wat?”

“Dat zeg ik niet.”

“Dat zegt ge niet? Zelfs niet tegen uw beste vriend?”

….

“De zee.”

“De zee?”

“Dat is het.”

“Wat?”

“Dat.”

“Wat dat?”

“Wat ik daar wil zien.”

“De zee?”

“Ja, de zee.”

“Maar Novecento, ge ziet de zee al 32 jaar, alstublieft!”

“Van hier. Maar ik wil de zee van daar zien.”

“Gij zijt zot. Maar goed, wacht tot we in de haven liggen, hang u over de reling en kijk er dan eens goed naar. Dat is hetzelfde.”

“Wie zegt dat?”

“Lynn Baster. Hij heeft me dat ooit verteld.

Hij was een boer. Hij had veertig jaar gewerkt als muilezel. En in die veertig jaar was hij nooit verder geraakt dan zijn akker. En af en toe tot in de grote stad een beetje verderop, als het jaarmarkt was.

De regen had een paar jaar na elkaar zijn oogsten verwoest, zijn vrouw was ervandoor, zijn twee kinderen stierven aan een of andere koorts. Hij was voor het geluk geboren! Hij had op een dag zijn spullen gepakt en was naar Londen vertrokken. Londen had hij zelfs niet gevonden, maar wel een klein dorp van twee keer niets. En net voorbij dat dorp, voorbij de tweede bocht rechts liep hij de heuvel op en daar op de top zag hij ineens, voor het eerst in zijn leven: de zee!

En de zee riep hem toe: Hé sukkelaars! Het leven is groots! Wilt ge het niet verstaan of wat? Het leven is Grooooooooots!!!

Dat wil ik ook. Ik kan nog jaren op dit schip blijven. De zee heeft nog nooit iets tegen mij gezegd en zal ook nooit iets tegen mij zeggen. Ik wil aan land gaan, een normaal leven leiden als een normaal iemand, met een vrouw en kinderen, een huis… En dan op een dag, vertrek ik naar de zee, ik trek mijn ogen open en ik hoor hoe de zee tegen mij schreeuwt: Novecento, het leven is grooooots!

Dat wil ik.”

Mijn keel zat dicht.

“Novecento, ik heb niet liever dan dat ge aan land gaat, dat ge er geld verdient met uw piano, dat ge een vrouw leert kennen en trouwt, dat ge gelukkig zijt. Maar aan land gaan om de zee te zien?

Maar het is goed. Ge krijgt zelf mijn pelsen frak cadeau, voor niets. Want ge moet proper zijn als ge van dat trapje naar beneden gaat voor de eerste keer.

We spreken af. En dan gaan we samen wandelen. Met uw hond. Terwijl uw vrouw kalkoen maakt. Ge ziet eruit lijk een advocaat. Een van de luxe klasse. Met die mantel.”

“De luxe klasse kan de pot op.”

Hij stond daar bovenaan het trapje, met mijn pelsen frak, een hoed en een grote koffer. Hij stond daar, onbeweeglijk, met één voet op de tweede tree, en de andere op de derde. Alsof hij in een stront had getrapt.

Hij keek voor zich uit, het leek of hij iets zocht. En toen nam hij zijn hoed af, stak zijn hand voorbij de leuning van het trapje en liet hem omlaag vallen. Toen de hoed als een vermoeide vogel in het water was gevallen, draaide Novecento zich om ging de drie treetjes terug omhoog. Twee passen en hij verdween in het schip.

Hij glimlachte: “Le nouveau pianiste est arrivé.”

“Waarom zijt ge teruggekeerd? Zijt ge vergeten waarom ge van boord ging?”

“Merci voor die pelsen frak. Hij zat mij als gegoten. Ge moet niet denken dat ik ongelukkig ben. Dat zal ik nooit meer zijn.”

Hij zou nooit meer ongelukkig zijn. Hij was Novecento, punt uit.

Met zijn muziek die al op voorhand in zijn kop geschreven stond en lag te wachten tot zijn vingers ze speelde, benen erop gingen dansen, koppen erom gingen lachen. Om de witte en de zwarte noten.

Hij ging nooit meer ongelukkig zijn.

Op 21 augustus 1933 verliet ik de Virginian. Na zes jaar. Ik had het gevoel dat ik heel mijn leven op dat schip gezeten had. Ik was het niet beu maar…

Kijk, voor een matroos telt maar één ding: de zee. Maar een trompettist… Als ge trompet speelt op de zee, zijt ge een vreemdeling en ge zult dat altijd blijven. “Liever vroeg dan laat”, zei ik tegen Novecento. En hij knikte alleen maar.

De avond ervoor speelde ik voor de laatste keer. Voor de snobs van de luxe klasse. We speelden het gebruikelijke repertoire. En toe kwam mijn solo. Voor de laatste keer. En in mijn rug ging hij mee, Novecento. Zachtjes, nauwelijks hoorbaar. Maar hij ging mee, zoals hij alleen dat kon. En we zegden wat er te zeggen was. Met noten. Woorden konden de pot op.

Om ons heen dansten de mensen gewoon door, alsof er niets aan de hand was. Hoe konden zij dat ook weten. Misschien dat er iemand zei: ‘Die trompettist lijkt wel zat of zot. Kijk, hij huilt onder het spelen.’

Ik ging langs het trapje naar beneden. Hij zou er nooit meer een voet op zetten. Nooit meer.

Ik hoorde jaren lang niets meer van de Virginian. Of van Novecento.

En veel geluk had ik niet, want het werd oorlog en dat is veel moeilijker dan een trompet partituur of een jazz improvisatie.

“De oorlog kan de pot op”, zei ik af en toe en dan deed ik mijn ogen dicht en zat ik terug in het ruim, bij de derde klasse. Ik hoorde hoe de migranten zongen, hoe Novecento speelde. En dan kon ik er weer tegen voor een tijdje.

Na de oorlog kreeg ik een brief. Van O’Connor, die zotte matroos van op de Virginian.

‘De Virginian is totaal vernield uit de oorlog teruggekeerd. Ze hebben het schip gebruikt als varend ziekenhuis. Uiteindelijk is het in zo een slechte staat, dat ze in de haven van Plymouth het personeel van boord gestuurd hebben en het schip volgeladen hebben met dynamiet. Vroeg of laat brengen ze het naar open zee en boem, weg ermee.

PS: Novecento die is dus echt niet van boord gegaan!’

Zo stond het er, zo droog als kurk: Novecento die is dus echt niet van boord gegaan! Zot! Onnozele zot! Stijfkop! Kieken! Dwaas kalf! Zot!

Ik heb dagen rondgelopen met die brief en dan heb ik de trein genomen naar Plymouth, naar de haven, naar het dok, de Virginian. Ik heb de bewakers mijn laatste geld toegestopt en ben aan boord gegaan. De Virginian was een wrak in ontbinding.

In de machinekamer vond ik hem. Hij zat daar onbeweeglijk. Op een vat met dynamiet. Op een ander vat, ook vol dynamiet, ging ik zitten.

Danny Boodmann D.D. Lemon Novecento was dus niet van boord gegaan.

Hij zat daar als een prins. Hij zou samen met het schip de lucht in gaan. Midden op zee. Een groots vuurwerk met als apotheose.

Daar zat hij.

“Die stad, ge kon niet eens het einde zien.

Op dat trapje, ge kon niet eens het einde van die stad zien.

Prachtig, ik met die pelsen frak.

Ik twijfelde niet, geen moment.

Ik ging het doen, ik ging van boord.

Eerste tree, tweede tree, derde tree.

En plots bleef ik staan. Onbeweeglijk.

Niet door wat ik zag.

Maar door wat ik niet zag.

Verstaat ge dat, broer?

Broer? Kunt ge dat verstaan?

Blijven staan door iets wat ge niet ziet?

In heel die eindeloze stad was alles, behalve een einde.

Ik miste een einde.

Stel u voor, broer, een piano.

Normaal gezien 88 toetsen.

Begin en eind en dat is het.

Zij zijn niet oneindig.

Oneindig dat zijt gij.

En binnen die 88 toetsen is de muziek die ge kunt maken oneindig.

Dat vind ik mooi. Zo kunt ge leven.

Maar als ik op dat trapje sta

en ik zie een klavier van

miljarden en miljarden toetsen

waar nooit een eind aan komt,

dan zit ik aan de verkeerde piano.

Die was voor God bestemd.

Al die wegen!

Hoe lukken jullie erin om er één te kiezen?

Al die vrouwen,

al die huizen,

al die wereld.

Ik ben op dit schip geboren.

Hier past alles, mensen, verlangens, … tussen een voor- en achtersteven.

De aarde, dat is een veel te groot schip voor mij.

Een veel te mooie vrouw, een veel te sterk parfum.

Een muziek die ik niet kan spelen.

Daarom ben ik die trap niet afgegaan, broer.

Ik zal die trap nooit afgaan.”

“Ge wilde niet liever.”

“Willen is verlangen.

En omdat ik mijn verlangens, de drang, de goesting niet kon beleven,

heb ik ze betoverd en één voor één achter mij gelaten.

Ik ben niet gek.

We zijn niet gek als we een manier vinden om onszelf te redden.

Het is gewoon meetkunde.

Alle vrouwen: betoverd door één nacht voor één vrouw te spelen en haar dan weg zien gaan, als alle vrouwen.

Vader worden: betoverd door dagen aan een stuk naast een stervend kind te zitten. En toen het stierf, ging niet hij weg, maar wel alle kinderen die ik nooit heb gehad.

Mijn vrienden die ik wou, heb ik betoverd door met u te spelen die laatste avond. En ze zijn met u weggegaan toen gij aan wal ging.

Mijn woede heb ik vaarwel gezegd toen ze dit schip vulden met dynamiet.

Mijn muziek heb ik vaarwel gezegd toen ik erin slaagde haar helemaal te spelen in één noot van één ogenblik.

En de vreugde heb ik betoverd toen ik u hier zag binnenkomen.

Het is geen gekte. Het is meetkunde.

Zo leesbaar als de mensen.

Een lijn die ge kunt volgen van het begin tot het einde.

Ik heb dit nooit aan iemand verteld, behalve aan u.

BOEM. Zes en een halve kwintaal dynamiet.

En dan kom ik aan, daarboven.

“Hoe heet u, zegt u?

“Novecento.”

“Nosjinskij, Notarbartolo, Novalis, Nozza…”

“Omdat ik op een schip geboren  ben. En gestorven.”

“Schipbreuk?”

“Explosie.”

“En hoe gaat het?”

“Mijn arm kwijt, maar voor de rest…”

“Daar liggen er een paar, welke mist u?”

“De linker.”

“Pech, het zijn twee rechter.”

“Een rechter op de plaats van een linker. Stel u voor. Een eeuwigheid in het paradijs met twee rechterhanden!

En dan nu allemaal samen het kruisteken…

Miljarden jaren de lul zijn met twee rechterhanden. De hel dat, de hemel.

Alhoewel. Dat zou pas muziek zijn.
Met twee rechterhanden!

Op voorwaarde dat er een piano is.”

“Dat is dynamiet daar onder uw kont, broer.

Stap het maar af. Het is afgelopen.

Deze keer is het echt afgelopen.

EINDE